Dolf Winkler

Over Dolf Winkler

 

„Atoombom, niet goed”, zei de Japanse kampwacht

Dolf Winkler

Dolf Winkler

Ex-krijgsgevangene Dolf Winkler (88) overleefde in Thailand de Birma-spoorlijn en in Japan de beruchte kolenmijnen. Zijn dagboek, dat hij na de Bevrijding voltooide, verloor hij later uit het oog. Toen zijn vrouw het bijna vijftig jaar later bij toeval terugvond, besloot hij het alsnog uit te geven. „Het blijft een authentiek getuigenis, maar van de haat- en wraakgevoelens die erin doorklinken, ben ik bevrijd.”
„Plotseling zwaaide de deur van mijn kamer open. „Waar is je dagboek?” schreeuwde de Jap. Ontkennen had geen zin; ik moest mijn aantekeningen inleveren. Alleen de blaadjes die ik onder mijn tatami (matje) bewaard had, zijn gered.”
Toen de Nederlandse krijgsgevangene en dwangarbeider in de oorlog gedwongen werd zijn ooggetuigenverslag af te staan aan de Japanse inspectie, dreigde alles in de vergetelheid te raken. Zijn beschrijving van de slag bij Kalidjati, zijn herinneringen aan het kamp des doods in Thailand, Rintin, en zijn bevrijding uit de Japanse kolenmijn in Mizumaki.
Daarom besloot Winkler onmiddellijk na de Bevrijding alles opnieuw op te schrijven. „Ik was in Manilla beland, waar ik me vrijwillig beschikbaar stelde voor het registreren van ex-krijgsgevangenen en vluchtelingen. In de tijd die ik overhield, heb ik mijn kampverleden opnieuw samengevat.”

KNIL-militair Winkler werd kort na het uitbreken van de oorlog gevangengenomen in Buitenzorg in Nederlands-Indië. „Verraden door de lokale bevolking”, verzucht hij, „omdat onze commandant ondanks onze waarschuwingen een deel van een mohammedaans gebedshuisje had ingericht als magazijn.”

In opdracht van de Japanse krijgsmacht werd Winkler belast met het begraven van doden. Tijdens die werkzaamheden stuitte hij op een massagraf. „Bij Tjiaterstelling lagen 72 geëxecuteerde militairen. Achteraf bleek het een sectie te zijn van het vijfde bataljon infanterie uit Semarang.” De moordpartij kwam aan het licht toen twee doodgewaande militairen van dit bataljon elkaar na de oorlog dankzij Winklers speurwerk weer terugvonden. „Toen is ook vastgesteld dat het kader van dit bataljon er voor de executie als een haas vandoor is gegaan.”

Later belandde Winkler in de kampen Kingsajok en Rintin in Thailand, als dwangarbeider voor de beruchte Birma-spoorlijn. „Je sleepte je van de ene dag naar de andere. Ik zie die stakker nog voor me die op zijn sterfbed een kinderbroekje vasthield en zei: Tijdens hun laatste bezoek gaf mijn vrouw mij dit broekje van mijn dochtertje omdat het nat was geworden. De volgende dag zouden ze het schoongewassen en al weer meenemen, maar ik heb ze nooit meer gezien.”
Goede herinneringen bewaart Winkler aan de kamparts Van der Meulen. „Hij begon maden te telen, met het doel ze de tropenzweren van de kamparbeiders te laten schoonvreten. Van in stukken gezaagde stammen van pisangbomen maakte hij verband.”

Winkler maakte de Bevrijding mee in de kolenmijnen van Mizumaki in Japan, een land dat hij na de oorlog nog 26 keer bezocht en waar hij een herdenkingsmonument bouwde. „De Japanse kampwachten herhaalden voortdurend: „Atomo djoto-nei: atoombom, niet goed.” Pas later begrepen we wat ze ermee bedoelden.”

Zijn na de Bevrijding voltooide dagboek raakte in de vergetelheid, totdat zijn vrouw het in 2003 ontdekte. „Op haar aanraden heb ik het uitgegeven, want het blijft een authentiek getuigenis”, zegt hij. Eén ding is er echter veranderd, zo merkt de lezer ook uit het woord vooraf: „Van de haat- en wraakgevoelens die er nog in doorklinken, ben ik geheel bevrijd.”

 

10-08-2005 11:16 | Jakko Gunst uit het Reformatorisch Dagblad

Dolf Winkler
…bevrijd van haat…

 


 

Dolf Winkler

Op 22 maart 2009 overleed Dolf, geboren op 8 april 1917, na een korte maar heftige ziekte, op 91-jarige leeftijd. ‘Hij laat een blijvende leegte achter’ schreven zijn vrouw, dochter en kleinkinderen op de rouwkaart. De JIN-leden betreuren zijn verlies, in het bijzonder die leden die hem sedert de jaren 1993-1994-1995 goed hebben leren kennen. Velen hebben hem op de jaarlijkse JIN-relatiedag ontmoet. Hij en zijn vrouw Carry waren daar tot in 2008 trouwe en zeer gewaardeerde gasten. Voor de Japans-Indische nakomelingen en voor de vereniging JIN had Dolf een bijzondere betekenis zoals hierna wordt toegelicht.

Dolf meldde zich in 1938 als jongeman bij het KNIL. In de massale werkloosheid van de crisisjaren vormde het KNIL voor velen een uitweg. Uitgezonden naar Indië, vocht hij in maart 1942 als infanterist bij Kalidjati en Soebang op Java tegen de Japanse invasiemacht. Krijgsgevangen genomen, werd hij ingezet om te werken bij de lijkopruiming. Hij stuitte toen op een massa-executie van krijgsgevangenen (74 man op 6 maart 1972 bij Tjiater, zoals later is gebleken; Dolf spoorde eind jaren zeventig in Nederland twee overlevenden van die groep op die elkaar doodwaanden!). Van Bandoeng ging het naar de haven van Tjilatjap, naar Batavia, en naar Tandjong Priok, om per schip via Singapore naar Thailand te gaan. In diverse werkkampen (Kingsajok en Rintin) werkte hij als dwangarbeider aan de beruchte spoorlijn, en als verpleger van zieken en stervenden. Na verloop van tijd werd hij naar Japan getransporteerd, waar hij, gedurende twee jaar, onder uiterst beroerde omstandigheden, in een kolenmijn moest werken, in Mizumaki, een stadje bij Fukuoka, gelegen op het eiland Kyushu. Op 15 augustus 1945 kwam daar de bevrijding, en op 22 september reisde hij naar Nagasaki waar hij verbijsterd de enorme verwoestingen van de atoombom aanschouwde. De bedelende, verweesde kleine kinderen bleven hem bij. Tijdens een doorgangsverblijf in Manilla overkwam hem een vreselijk auto-ongeluk. Van zijn ernstige verwondingen herstelde hij via ziekenhuizen in Hong Kong en Sidney uiteindelijk in Nederland waar hij Carry ontmoette. Demobilisatie was echter niet toegestaan. Hij deed in 1948 een half jaar dienst in Batavia/Djakarta waar hij een Indonesische bomaanslag meemaakte. Terug in Nederland trouwde hij met Carry op 15 september 1948, en werd hij een succesvol zakenman (woninginrichting).

Dolf Winkler en Van Agt die als gezant van de EU in Japan in 1995

Zijn ervaringen als krijgsgevangene waren ons in de jaren negentig uiteraard al bekend, maar alleen in hoofdlijnen, de details lazen we eerst in zijn autobiografische boekje ‘Mijn Kampverleden 1942-1945’ dat in 2003 verscheen. Het berust grotendeels op herinneringen die hij al in Manilla opschreef. Bij herlezing valt op hoe fel de emoties oplaaien; woede en haat- en wraakgevoelens over ondergaan onrecht, over afstraffingen en vernederingen; intense machteloosheid bij het zien van andermans noodlot; doodsangst toen de mijn instortte en hij drie dagen afgesloten was; blijdschap over lijfreddende meevallers. De toon van zijn verslag blijft doorgaans nuchter, hij heeft oog voor komische voorvallen, hij scheert de vijand niet over één kam, en hij maakt ook melding van staaltjes van humaan gedrag, bijvoorbeeld een arts die hem –tijdens z’n zoveelste malaria-aanval- vrijstelde van werk en liet opnemen; of Tamura-san, een mijnopzichter, die voldoende rust bood, nooit sloeg, en af en toe visjes gaf.

Uit het voorwoord (van Van Agt die als gezant van de EU in Japan, in 1995 in Mizumaki kennismaakte met de EKNJ en Dolf) blijkt dat Dolf’s haat- en wraakgevoelens sinds lange tijd verdwenen waren -en in interviews bevestigde Dolf dit nadrukkelijk. Hoe is dit in zijn werk gegaan? In de jaren zeventig begon na zijn pensionering zijn oorlogsverleden heftig op te spelen. Op aanraden van zijn therapeut prof. Bastiaans van de stichting ’45 reisde hij naar de oorlogsplekken in Indonesië en Thailand. Naar Japan durfde hij pas in 1985. Die reis vormde een keerpunt in zijn leven. Toen hij het dorp Mizumaki bezocht, stuitte hij op een vervallen en overwoekerd monument. Sindsdien had blijkbaar niemand er meer naar omgekeken. Dit is niet verwonderlijk, want zoals de Japanse historicus Eidai Hayashi (een expert inzake POW’s in Kyushu) later vertelde, was het op de dag van de capitulatie haastig opgericht om de geallieerden de gunstige indruk te geven dat overledenen een rustplek was gegeven: a false monument on a bogus burial site, noemde Hayashi het. Dolf nam er geen genoegen mee, hij schreef naar de ambassades, en keerde in 1986 terug om het gemeentebestuur ertoe te bewegen het monument schoon te maken en te renoveren. Dat ging niet zo snel natuurlijk. Maar met hulp van de 72-jarige dorpsbewoner Hiroshi Kurokawa lukte het in 1987. Zie over de eveneens kortgeleden overleden Hiroshi het stukje elders in dit blad. In één van de Japanse TV-uitzendingen zei Dolf dat hij graag Minoru Tamura zou ontmoeten, die Japanner die hij nooit had kunnen vergeten. De volgende dag belde zijn schoondochter dat hij in leven was. Hij woonde 500 km weg. Men organiseerde daar een ontmoeting. (zie foto).
Het hele dorp liep uit. “It did me a world of good how nicely those people treated me, people who had their own share of guilt. Sure, the Japanese have that too, you know, guilt about their parents’ misdeeds”, aldus Dolf.
Over deze ontmoeting schreef een Japanse krant in 2000 dat “Tamura, who has since died, was ill at the time and had just returned from hospital. Even so, he was delighted with the reunion, Hayashi said. The two men looked at each other and embraced. Meeting with Tamura seems to have helped alleviate Winkler’s pain, Hayashi added. Since then, the Dutchman has visited Mizumakimachi every year — sometimes more than once — with fellow former POWs and their families`.
Terug in Nederland richtte Dolf in 1985 een werkgroep op van Ex-krijgsgevangenen en nabestaanden Japan, later de gelijknamige stichting, afgekort EKNJ. Dolf startte een project om de namen van de doden van de mijnen van Mizumaki op het monument te zetten, en later die van alle overleden Nederlanders in Japanse krijgsgevangenschap. Daarvoor kwam een subsidie van Nederland beschikbaar. De EKNJ beijverde zich verder om verwerkingsreizen naar Japan te organiseren. Deze reizen bleken een schot in de roos. Op de site www.vriendenvanjapan.nl , die gaat over de huidige stedenband tussen Emmeloord en Mizumaki, zegt Dolf, dat hij een vriendschapsband wilde smeden tussen ex-krijgsgevangenen en Japanners. Want alleen op die manier kunnen zij van hun oorlogstrauma afkomen, meent hij. “Tijdens mijn bezoek aan Mizumaki ontmoette ik zoveel vriendelijke en hulpvaardige Japanners. Dankzij hen kwam ik eindelijk van mijn haatgevoelens af. Dat is zo’n bevrijding! Met de gezamenlijke herdenkingsbijeenkomsten bij het monument wilde ik andere ex-krijgsgevangenen dezelfde ervaring meegeven.” Dan wordt hij enthousiast en gaat op het puntje van zijn stoel zitten. “Ruim driehonderd andere ex-krijgsgevangenen heb ik meegenomen naar Japan. En allemaal kwamen ze genezen terug!” Op een bepaald moment waren de voormalige krijgsgevangenen die nog in leven waren, echter te oud om de lange reis naar Japan te kunnen maken. Daarom is op zaterdag 23 april 2005 de stichting EKNJ opgeheven. “Het is mooi geweest”, zegt Dolf Winkler, al klinkt het niet erg overtuigend. “Het doet natuurlijk pijn mijn levenswerk achter te laten, maar ik heb het volste vertrouwen dat de geschiedenis zich niet zal herhalen.” De herdenkingen in Mizumaki gaan evenwel van jaar tot jaar door.
In oktober 1991 schreef de kersverse vereniging JIN (bestuur: Hilgers, mw Meijer, De Winter, Böck, en mw Gieske-Erentreich) een brief naar de EKNJ met het verzoek bij hun reis naar Japan ook aandacht te vragen voor de JIN en waar mogelijk de opgestelde informatiefolders te verspreiden. Dat deed Dolf. Hij schreef later vriendelijk terug dat de reis een enorm succes was, en veel media-aandacht had getrokken. In 1993 hadden postergroep en bestuur met de Winklers gesprekken betreffende contacten met Japan (pater Salemink, journalisten en TV-filmploegen).
Overigens heeft de stichting EKNJ zich niet beperkt tot de organisatie van reizen. Zij zette ook allerlei exhibities over de oorlog op, of droeg daaraan bij, onder andere in een vruchtbare samenwerking met Museon, en dat niet alleen in Nederland maar ook in Japan. De door Winkler in 1980 vervaardigde fototentoonstelling “Nederlands-Indië in de Tweede Wereldoorlog” heeft sinds 1995 elk jaar in diverse Nederlandse steden gecirculeerd.
Het JIN-bestuur maakte in de persoon van Hideko op een KJBB-dag (vermoedelijk in 1995) beter kennis met Dolf en Carry Winkler. Het toen voor het eerst aangetreden nieuwe JIN-bestuur (met Bauke Talens als voorzitter) zocht actief naar mogelijkheden om zelf naar Japan te reizen. Het idee was dat een dergelijke reis goed voor de JIN-leden zou zijn uit een oogpunt van verwerking. Ook was de overtuiging gegroeid dat voor het zoeken naar vaders een steunpunt in Japan zelf moest worden gezocht. In 1993 was Cherie Landegent, een JIN-lid, die donateur was geworden van de EKNJ, moedig als zij was, met een reis meegegaan, en teruggekomen met positieve berichten. In 1995 gingen Dick Bodenstaff (met EKNJ) en Hideko (op eigen kosten) naar Japan waar zij ook de herdenking in Mizumaki bezochten. De JIN mocht daar dankzij Winkler en Kurokawa voor het eerst het woord voeren. Voor 1997 werd, op al deze contacten voortbouwend, met de EKNJ een reis gepland waar een groot aantal JIN-leden aan kon deelnemen. Let wel, op eigen kosten. Echter, enkele weken voor vertrek kreeg men bericht van de Japanse ambassade dat de vliegtickets werden betaald. Hideko werkte voor het reisplan nauw samen met Carry Winkler, de JIN- groep kon doorreizen naar Kyoto en Tokyo.
Het is goed eraan te herinneren dat de inspanningen van Dolf en de EKNJ allerminst op brede instemming in Nederland of beter gezegd van de Indische gemeenschap in Nederland konden rekenen. Integendeel, er was veel opschudding onder de mensen die hem voor ‘Jap-vriendje’ uitmaakten. Hij kreeg te maken met bedreigingen over de telefoon: stemmen die zeiden, ik weet hoe ik je kan vinden. Niet dat het Dolf werkelijk dwars zat, of hem van zijn pad afbracht. Eerder maakte het hem juist strijdvaardiger (wat ook weer weerstand opriep). Hij was er bovendien werkelijk van overtuigd geraakt, dat haat-en wraakgevoelens tot niets zouden leiden. Het is een muur die je moet afbreken anders is er geen uitzicht, zei hij altijd. Dolf kreeg ook een hekel aan de cultivering van de gevoelens van slachtofferschap, die hij in de Indische gemeenschap signaleerde. Dit voert, zei hij, tot een uitzichtloze cirkel waaruit geen ontsnappen mogelijk is. De weerstand tegen Winkler en de EKNJ had een taai leven: het had o.m. tot gevolg dat zij tot 2005 als organisatie niet welkom waren bij het Indisch Platform en de st. 15 Augustus Herdenking (De EKNJ is nadat in 2001 Paul Niessen het roer van Dolf had overgenomen, in 2005 gestopt). Dit is een opmerkelijk feit, zeker als je leest wat Dolf en zijn makkers hebben doorgemaakt, terwijl de ingeslagen koers en de geleverde inspanningen nota bene wel hebben geleid tot koninklijke onderscheidingen voor Hiroshi Kurokawa en Dolf Winkler.
Ook de JIN werd in die tijd vaak met een scheef oog of met de nek aangekeken. In het isolement kwam evenwel langzaam verandering. Behalve steun van de EKNJ (Dolf en het bestuur trokken zich gelukkig niets aan van diegenen die kritiek hadden op hun ‘associatie’ met kinderen van een Japanse vader), kwam ook steun van de kant van Pelita. De toenmalige directeur Leo de Coninck bevorderde de nodige hulpverlening van de kant van oorlogsgezondheidscentra, en bevorderde een entree bij het Indisch Platform en de Japanse Ambassade. De gesprekken van het JIN-bestuur bij de ambassade verliepen in goede sfeer, maar leverden niets concreets op. De contacten met de EKNJ hielpen niet zozeer bij het leggen van contacten met de Indische gemeenschap. Wat echter grote praktische betekenis zou krijgen, waren de vele positieve ontmoetingen, op de reizen zelf en erna, tussen JIN-leden en de ex-krijgsgevangenen van Japan en hun nabestaanden. De onderlinge contacten en met naoorlogse Japanners werkten bevrijdend. Dolf demonstreerde dat het mogelijk is als oorlogsslachtoffer niet in het vijand-denken stil te staan, en vriendschap te sluiten met naoorlogse Japanners. Voor JIN’ers werkte ook dat inzicht bevrijdend. Het bracht het vrede hebben met jezelf dichterbij.
In 1995 had de Japanse regering een tienjarig beleidsprogramma in het leven geroepen om vrede en verzoening te bevorderen. Deel ervan was een budget voor reizen naar Japan vanuit Nederland. De EKNJ had –opmerkelijk genoeg- moeite daarin snel toegang te krijgen, ondanks de al jaren getoonde positieve inzet. Het JIN-bestuur kreeg intussen bij de ambassade voor een bijdrage in de reis geen voet aan de grond. Waarschijnlijk was de reden een (onuitgesproken) vrees voor ongewenste precedentwerking (kinderen van Japanse vaders). Intussen stond echter voor 1997, als hierboven gezegd, een grote JIN-groep klaar om met de EKNJ mee te gaan (15 personen, onder wie drie moeders). De JIN rekende op niets en wat kon JIN trouwens anders doen? Enkele weken voor het vertrek van Schiphol kwam volkomen onverwacht een telefoontje binnen van de ambassade dat Japan alle vliegtickets zou bekostigen. Op dit besluit is geen toelichting gegeven. Misschien gaf de formule dat de nakomelingen van JIN niet zelfstandig maar onder de vlag of de directie van de EKNJ konden meegaan, binnen de Japanse ambassade de oplossing. Als dat zo is, vergroot het de erkentelijkheid van JIN voor de EKNJ (en Pelita). Zonder hen zou het naar alle waarschijnlijkheid niet zijn gelukt. Bijna alle 1e generatie JIN-leden hebben vanaf 1997 de reis kunnen maken, niet zelden gecombineerd met een bezoek aan Japanse familie. Zonder subsidie zou dit praktisch onmogelijk zijn geweest.
In de jaren daarna kwamen we Dolf regelmatig tegen, altijd even belangstellend naar het wel en wee van de JIN, steeds op de jaarlijkse relatiedagen present. We zagen hem in het indrukwekkende fotoboek van Jan Banning met bloot bovenlijf geportretteerd (Sporen van de oorlog). Ook in de media hoorden we regelmatig zijn vertrouwde stemgeluid. In 2000 bijvoorbeeld betuigde de Japanse minister-president K. Obuchi ten overstaan van premier Kok: “diepe spijt en oprechte excuses voor de enorme schade en het lijden dat Japan velen, onder wie Nederlandse oorlogsslachtoffers, heeft berokkend.” Voor een aantal organisaties ging dit als gebruikelijk niet ver genoeg. “Hij moet zijn spijt openlijk, liefst op televisie, betuigen” en “Wij horen graag dat er een fonds voor dwangarbeiders komt die in de oorlog in Japanse kolenmijnen (…)hebben gewerkt”. Dolf, de man die daar echt zelf gewerkt heeft, heeft daar echter nooit om gevraagd. “Japan kan duizendmaal zijn excuses aanbieden, maar er zijn mensen die hun haatgevoelens blijven houden. Ik zeg altijd: wie een muur afbreekt, bouwt een uitzicht op.”
Op de crematieplechtigheid was ook uit Mizumaki een vertegenwoordiger aanwezig, Ralph Schriock, die een indrukwekkende toespraak hield. “Wij missen zijn persoonlijkheid, hij was onze steun en toeverlaat, maar bovenal missen wij zijn liefde. Voor de vele goede dingen die hij tot stand heeft gebracht zullen we zijn leven “vieren”. Deze zomer is Carry naar Mizumaki gereisd om de wens van haar echtgenoot uit te voeren. Zij heeft zijn as daar verstrooid. Zo is Dolf tenslotte verenigd met zijn kameraden die in de kolenmijnen van Mizumaki het leven hebben gelaten. Niet ver van het Memorial waar elk jaar de Japanse ingezetenen van Mizumaki, notabelen en burgers van jong tot oud, de in Japan overleden Nederlandse krijgsgevangenen herdenken, en nu ongetwijfeld ook de herinnering aan Hiroshi Kurokawa en Dolf Winkler levend zullen houden.


In memoriam

HIROSHI KUROKAWA

 

We betreuren het overlijden van Hiroshi Kurokawa, voorzitter van het Kruis Monument Comité van Mizumaki, op 24 juli 09. We zien hem hier op de foto voor het monument. Op de gedenkplaat staan de namen van de 871 in Japan in krijgsgevangenschap omgekomen Nederlanders. Hiroshi is woonachtig in Mizumaki, gepensioneerd (hij had een hoge functie in
de staalindustrie), en hoorde in 1985 op het lokale nieuws van het bezoek van Dolf Winkler.
“Ik wist wel dat er een krijgsgevangenenkamp was geweest in Mizumaki, maar ik had er nooit bij stilgestaan dat het zoveel leed had veroorzaakt. Ik zag aan zijn ogen dat Winkler het er nog altijd erg moeilijk mee had. Daarom vond ik dat hij recht had op het eerherstel waarom hij vroeg.” Dit citaat is afkomstig van de site www.vriendenvanJapan.nl waarvan ook de foto
afkomstig is. Deze site gaat over de later ontstane vriendschaps- en uitwisselingsband tussen Emmeloord en Mizumaki. De site: “Dankzij de inspanningen van Kurokawa komt de gemeente Mizumaki een half jaar later toch over de brug met geld waarmee het monument wordt opgeknapt. Kurokawa organiseert een herdenkingsbijeenkomst en nodigt Dolf Winkler
daarvoor uit. “Ik vond dat deze herdenkingsbijeenkomst het minste was wat we voor hem konden doen. Ik had toen nooit kunnen bevroeden dat het zo’n lange staart zou krijgen.”

Hiroshi Kurokawa en zijn broers, de hele familie eigenlijk, bleven altijd nauw betrokken bij de herdenkingsbijeenkomsten. Hij richtte een Comité op: Mizumaki Memorial Cross Association to Promote Peace and Culture. Hiroshi onderstreepte de effecten van de verzoeningsreizen. “In het begin waren de herdenkingsbijeenkomsten erg zwaar. De Nederlanders koesterden een diepe haat jegens Japanners en wantrouwden ons. Maar door de jaren heen werd de sfeer steeds meer ontspannen.” Wat hem nog meer verheugt, is dat de dorpelingen zich verbonden gingen voelen met het jaarlijkse bezoek uit Nederland. “De laatste jaren zijn de herdenkingsbijeenkomsten vooral een plezierige gebeurtenis. Het
verleden heeft hier een plek gekregen, zodat we allemaal op vriendschappelijke voet verder kunnen”, zegt Kurokawa erover. Op de officiële gemeentesite van Mizumaki staat (in het Engels) het monument en de geschiedenis vermeld. Zie www.town.mizumaki.lg.jp/eng. Overigens, de gemeente heeft al snel een functionaris in dienst genomen voor de
internationale contacten, en dat is al jaren lang de bekende Ralph Schriock, een Amerikaan, die Japans en Nederlands (!) heeft geleerd, ook op school lesgeeft in Japan, en die voor vele JIN’ers die naar het vreemde Japan gaan, een grote steunpilaar is.

In 1995 maakte de JIN en Kurokawa officieel kennis met elkaar. Dick Bodenstaff (JIN-lid) ging met de EKNJ naar Japan en Hideko Gieske ging als JIN-bestuurslid (op eigen kosten) naar Japan en voegde zich bij het gezelschap in Mizumaki. Bij de herdenkingstoespraken in Mizumaki kreeg voor het eerst ook JIN het woord en Kurokawa betrok de JIN in zijn
toespraak. Dank zij de bemiddeling van hem, van Satoh (de vader van Freda) en pater Gerard Salemink O.F.M. kreeg JIN ook toegang tot Japanse veteranenbijeenkomsten. Het was toen
dat Hideko de heer Uchiyama ontmoette die zei dat hij een samenwerking met JIN kon opzetten om te zoeken naar Japanse vaders. Een arbeidsintensieve samenwerking die in de jaren 1996-2005 voor bijna alle JIN-leden die meededen, resultaten zou opleveren.

De reizen van de EKNJ werden vanaf 1997 gesubsidieerd door de Japanse regering. Voor JIN-leden kwam er, wonder boven wonder, ook een plek. Het programma voerde elk jaar langs Mizumaki en zo hebben bijna alle JIN-leden sinds 1997 kennisgemaakt met Hiroshi Kurokawa. Ze bewaren goede herinneringen aan hem. Hij was rustig en bescheiden, maar ook
businesslike, vrolijk, energiek, hulpvaardig en doeltreffend. Hij toonde zich in het bijzonder voor de EKNJ maar ook voor de vereniging JIN en voor alle Japanse nakomelingen een waardevolle vriend. Bij zijn bezoeken aan Nederland (met zijn broer) was JIN-lid Ton Hoeke vaak zijn metgezel. Ton liet hem ook Amsterdam zien, waar zij samen “de bloemetjes buiten
zetten”. De JIN heeft ook een dag voor hem georganiseerd. Hij genoot enorm van die bezoekjes. Toen in 2002 de Sakura-mensen aansloten bij de EKNJ-reizen gingen ook zij naar Mizumaki en leerden zij Kurokawa kennen. Hiroshi –bruggenbouwer bij uitstek- betreurde de in zijn ogen onbegrijpelijke splitsing in het eigenlijk o zo kleine groepje Japanse nakomelingen, maar gelukkig fungeerde Yoko Huijs in de laatste jaren als aanspreekpunt en contactpersoon voor Hiroshi enerzijds, en voor JIN en Sakura anderzijds, en zo hebben we, hierin gelukkig eensgezind, nog vele berichten, cadeaus en goede wensen aan hem kunnen overbrengen tijdens zijn ziekteperioden in de laatste tijd. Dat heeft hem zeer veel goed
gedaan.

Het lijkt nu zo gewoon en vanzelfsprekend, het monument en de herdenkingen en de uitwisselingen, maar dat was het in het begin natuurlijk niet. Er was moed en daadkracht voor nodig, zowel van Winkler als Kurokawa, en een visie die verder gaat dan het individuele. In een Japanse krant zegt Kurokawa in 2000 dat: “He still remembers the bitter look on Winkler’s face — a countenance that took three years to relax into a smile. “One of the Japanese phrases he still remembers is ‘Hayaku koi’ (Get over here now). That gives us an idea of how much he went through,” he added. “Memorial services are fine, but human-tohuman communication is just as important. When people eat and drink together, they express their true feelings. The stony faces we see on the first day soon brighten into smiles,”

 

We moeten ook de rol van de burgemeesters van Mizumaki niet vergeten, met name Hiroyuki Tanaka. Hij heeft alle medewerking ingezet, ook voor de tentoonstelling van het NIOD die in 2000 in Mizumaki, Nagasaki, en Kyoto kon worden gehouden over de oorlog in Indië, als onderdeel van de herdenking van 400 jaar Japans-Nederlandse betrekkingen.

Tanaka en Kurokawa hebben de waardering gekregen die zij verdienden. Zowel in Japan als in Nederland. In eigen land ontvingen zij onderscheidingen van de regering, en de Japanse TV maakte diverse documentaires over de Kurokawa’s. Zo hebben zij in Japan wezenlijk bijgedragen aan het vergroten van de bekendheid met het oorlogsverleden. Op 24 april 2003 stond in de Volkskrant het volgende verheugende bericht. “In Tokio krijgen vandaag twee Japanners een Nederlands lintje. Burgemeester Hiroyuki Tanaka van de plaats Mizumaki en Hiroshi Kurokawa, inwoner van die gemeente, worden allebei ridder in de Orde van OranjeNassau omdat zij zich inzetten voor de verbetering van de relatie tussen Japan en Nederland.
Daarnaast staan ze altijd Nederlandse oorlogsgetroffenen bij als die Mizumaki bezoeken. De reizen worden georganiseerd door de Stichting Ex-krijgsgevangenen en nabestaanden Japan.”


 

Bron: Vereniging J.I.N.  Japans Indische Nakomelingen